Piekerpiek

Bij mij op tafel ligt een tekening. Je ziet een afbeelding van een jongen met een enorm groot rood gekleurd hoofd en eronder een klein lijfje met pieterpeuterige armen en benen, zonder voeten, waar geen kleurpotlood aan te pas is gekomen. Alsof zijn lijf niet meetelt! Het is een tekening van Roef (8 jaar). De tekening heeft weinig uitleg nodig over hoe hij zich ervaart. Hij is door zijn ouders aangemeld voor therapie vanwege zijn angsten en extreem gepieker. Doordat hij zo in zijn hoofd ‘zit’ ervaart hij amper nog dat hij ook nog een lijf heeft. Hij heeft moeite met doorademen.

Ook slaapt hij slecht vanwege het vele gepieker en ziet op tegen de dagelijkse activiteiten waarvan hij heeft ervaren er moeite mee te hebben. Grappig is te weten dat bij volwassenen het hoofd relatief klein is in verhouding tot het lichaam, om precies te zijn 1 : 8. Ook al is bij jonge kinderen het hoofd groot in verhouding tot het lichaam (bij baby’s is deze verhouding 1 : 4 , bij peuters 1 : 5 en bij kleuters 1 : 6) dan nog heeft de rest van het lichaam een veel groter aandeel. Wij mensen zijn ons hoofd (ons denken) zo’n waarde gaan toekennen, dat we met momenten vergeten dat we meer zijn dan onze kopzorgen alleen.

Belangrijk is om verschil te maken tussen denken en piekeren. Veel denken hoeft geen probleem te zijn als je denken en goed waarnemen leiden tot het vinden van een oplossing of het nemen van goede actie. Veel piekeren daarentegen is het onafgebroken repeteren van dezelfde, vaak verkeerde gedachten zonder dat er een eind aan komt. Doordat je verkeerd waarneemt blijf je maar zoeken en kom je niet verder. Je vindt de oplossing voor je probleem niet omdat je niet goed waarneemt. De oorzaak hiervan is bij iedereen anders. Er kan onjuist aangeleerd geweten aan ten grondslag liggen waardoor je bepaalde kanten niet op durft te denken of er kan sprake zijn van een psychische stoornis. Het onafgebroken zoeken geeft je spanningen en werkt uitputtend. Je kwelt jezelf ermee. Zonder dat je het een halt toe kunt roepen.

Ook Roef werd gekweld door zijn gepieker. Hij werd er zich bewust van dat hij zich ook op andere plekken in zijn lichaam naar kon voelen door het gepieker. Zijn maag deed pijn, hij begon te zweten en werd duizelig. Roef kwam met het woord ‘piekerpiek’. Hij vertelde me dat hij op momenten van zo’n piek, zulke grote zorgen had dat hij van angst bijna kon overgeven of flauwvallen. De controle op deze manier over zijn lichaam kwijtraken maakte hem radeloos. Om Roef goed te kunnen helpen was het nodig om zijn manier van waarnemen duidelijk te krijgen. Daarom liet ik hem gedetailleerd beschrijven hoe hij de gebeurtenissen waarover hij piekerde waarnam.

Ik maakte hem duidelijk waar hij hier oorzaak en gevolg niet helder zag. Dat hielp hem om tot de ontdekking te komen dat zijn geweten dat hem was aangeleerd op school en thuis, hem in de weg stond om tot oplossingen te durven komen die bij hem pasten. Zo was het gebruikelijk dat alle mannen in de familie van Roef met hart en ziel opgingen in het voetballen. Ze waren allemaal lid of werkzaam in de lokale club en sommigen zelfs in het bestuur. Roef voelde niks voor voetballen maar kon het niet aan om wat anders te durven denken. Hij voelde zich schuldig om wat anders te willen dan wat gebruikelijk is in de familie. Al die tijd had hij lichamelijke klachten gebruikt om niet op voetbal te hoeven gaan. Gaandeweg de therapie durfde hij zijn vader dit te vertellen en bleek dat deze helemaal geen punt maakte van Roefs weerzin tegen voetbal. Samen zouden ze zoeken naar een passende sport.

Het inzicht dat zijn aanname met betrekking tot het voetballen niet correct was, werkte als een regelrechte ‘eyeopener’. Roef kon hierdoor niet alleen zijn ‘voetbalgepieker’ achter zich laten, maar durfde ook andere piekerproblemen met een nieuwe kijk te benaderen.

*Vanwege de waarborg van privacy van cliënten is gekozen voor een fictieve naam.