Erbij horen

Uitgestoten worden is waarschijnlijk een oerangst van alle mensen. Een angst om de veiligheid van de vertrouwde groep te verliezen. Volwassenen hebben inmiddels geleerd wat sociaal acceptabel is en zullen minder snel opzettelijk een ander buitensluiten. Kinderen echter, zijn onderling vaak impulsiever, opportunistischer en directer in hun woorden en daden dan de meeste volwassenen en daarbij voelen ze haarfijn aan als een eenling zich onzeker voelt.

Jack (12 jaar) is dit schooljaar begonnen op de brugklas. Hij was de enige van zijn oude lagere school die naar deze middelbare school ging en probeerde extra inspanning te leveren om erbij te horen. Al gauw werd hij betiteld als “meeloper” zonder dat hij mee mocht lopen. Hij mist de eigenheid en de ander voelt dat. Als er groepjes gekozen moesten worden bleef hij over, of als hij zelf actief zijn best deed om kinderen te vragen wezen die hem direct af al dan niet met smoesjes. Jack gebruikte zijn mobiele telefoon als troost om zich in de pauzes bezig te houden, want dat zag er in zijn ogen beter uit dan alleen, doelloos op een bankje zitten.

Ook Luna (10 jaar) geeft aan zich regelmatig buitengesloten te voelen. Ze had een paar vriendinnen, maar sinds er een nieuw meisje in de klas is gekomen delft Luna het onderspit. De nieuweling wist de andere meisjes voor zich te winnen en als Luna vroeg of ze mee mocht doen was het standaard antwoord: “nu even niet”. De ouders van Luna merkten dat ze steeds minder graag naar school ging en niet meer afsprak.

Kinderen zoals Jack en Luna zijn er vele. Zij zijn misschien net wat gevoeliger of minder handig om van zich af te bijten. Ze voelen zich ongemakkelijk als ze geen aansluiting vinden en gaan zich vervolgens ongemakkelijk gedragen en dingen doen die niet bij hen passen om er bij te horen. De ander weet niet precies wat hij bij hen ziet maar pikt die ongemakkelijkheid en onzekerheid op. Zij vinden het (onbewust) fijn om te groeien ten koste van de onzekerheid van de ander. Dat geeft hun macht.

Zowel Jack als Luna help ik bewust te worden wat er innerlijk gebeurd als zij op een ander afstappen.  Het ongemakkelijke gevoel in de buik, het inhouden van de adem, de kwaadheid die zich vast zet op de kaken, de opkomende tranen of het wegstaren. Soms spelen we de situatie na waardoor het kind het ongemakkelijke of onveilige gevoel van er niet bij horen ervaart. Door ze te laten beschrijven wat ze ervaren in lichaam en gevoel, vindt er bewustzijn plaats. Tot dat moment was er louter angst. Ik help ze te oefenen met een manier van reageren die beter past bij hen en de situatie. Door dit in rollenspel te oefenen en vervolgens te doorvoelen kan dit in hen verankeren zodat ze zich er thuis in gaan voelen. Wat er gebeurd is dat hun gedrag begint te passen zoals Darwin dit beschreef in “survival of the fittest”. Hij doelde hier niet op het overleven van de sterkste maar van de best aangepaste. Oftewel om kan gaan met de situatie.

In de therapiesetting help ik hen een betere ervaring op te doen, waardoor eerdere negatieve ervaringen in een breder perspectief komen te staan. Zo doen ze ter zake doende kennis en vertrouwen op en kunnen dientengevolge de sociale arena gelijkwaardiger en zelfverzekerder in.

*) Om de privacy van de cliënten te waarborgen is gekozen voor een fictieve namen.

 

 

Ik zie, ik zie wat jij niet ziet…

Niet iedereen ziet hetzelfde. Een goed voorbeeld hiervan is kleurenblindheid. Gehele of gedeeltelijke kleurenblindheid is het niet volledig normaal waarnemen van kleuren. Bekend is dat dit leidt tot moeilijkheden bij het waarnemen van verschillen tussen met name rood en groen. Dat kleurenblindheid bestaat weten we en vinden we niet gek. Wat we gekker vinden en moeilijker accepteren van onszelf is dat we mogelijk niet goed waarnemen. We ervaren onszelf in ons uiterlijk of ons gedrag anders dan dat het werkelijk is. Dit erkennen kan ons in eerste instantie onzeker maken. Want als we niet goed waarnemen, hoe komen we dan de dag goed door? Hoe maken we de juiste keuzes? En hoe zorgen we dat we niet in de put raken door een verkeerde waarneming? Helpend kan zijn onze waarneming te bestuderen en indien nodig te toetsen op juistheid.

Manet (9) heeft sinds vorig jaar in groep 5 een negatief lichaamsbeeld, ze vindt zichzelf te dik. Ze werd zich toen bewust van haartjes op haar armen en benen en vond haar bovenbenen dik toen ze in de spiegel keek. Ik vraag haar hoe je een idee over jezelf kan krijgen. Volgens haar door foto’s van jezelf, het kijken in de spiegel en door het kijken naar delen van je lichaam die je kunt zien en aanraken. De buitenkant is wat we kunnen zien en binnen is wat we voelen en denken. Manet ziet of denkt te zien dat ze te dik is, en elke twijfelachtige aanwijzing die ze tegen komt grijpt ze aan om dit te bewijzen. Ik vraag haar of dit waar is en of ze dit met mij durft te onderzoeken. Let wel: ze weegt 39 kilo bij een lengte van149 cm.

Tijdens de gymles heeft zij een lange trainingsbroek aan in de plaats van een kort sportbroekje zoals de rest van de klas. Ze schaamt zich als anderen haar vermeende dikke benen zien, vooral tijdens turnoefeningen zoals koprollen maken op de mat. Ik laat haar dit beeld terughalen aan de hand van een visualisatie met de ogen dicht.

Vervolgens laat ik haar beschrijven wat ze tegenkomt in haar lichaam als ze denkt aan het zich te dik voelen. Ze beschrijft dat haar buik rond voelt en opgeblazen en haar hoofd ook. Ze geeft aan een pijn in haar darmen te ervaren en een dichte neus. Ze ervaart ook een druk in haar achterhoofd en een bozig gevoel. Vervolgens geeft ze aan weg te zakken in droombeelden.

Het dik, rond voelen in haar buik en hoofd, gekoppeld aan het bozige gevoel en vervolgens de dromerige ijlerige beelden, geven aan dat de waarneming vertroebeld is, dat snapt Manet ook. Haar hersenen maken haar voor haar gevoel ‘ronder’ dan ze in werkelijkheid is.

Om dit aan te tonen liet ik Manet op een rol behangpapier liggen en trok de omtrek van haar lichaam na op het papier met een stift. Vervolgens liet ik deze zien. Tot haar schrik moest ze bekennen dat er iets heel anders uit kwam dan zij dacht waargenomen te hebben. Nooit had ze verwacht, vanwege haar gevoel van dikte, erop te kunnen liggen. Ze had het zelfs nodig opnieuw te gaan liggen en dit nogmaals te checken.

Dit geeft maar aan dat ze verkeerd waarnam. Dat vond ze zelf ook! Uit verkeerde waarnemingen komen verkeerde handelswijzen en beslissingen voort. Door de therapie is het beeld van Manets werkelijkheid ten goede gecorrigeerd, wat het welzijn van haar enorm heeft verbeterd.

*) Om de privacy van de cliënt te waarborgen is gekozen voor een fictieve naam.

Jongens

Eind juli dit jaar lanceerde SIRE (Stichting Ideële Reclame) haar nieuwe campagne ‘Laat jij jouw jongen genoeg jongen zijn?’. Met deze campagne wil SIRE opvoeders aan het denken zetten over hoe ze met jongens omgaan. Voor jongens die te weinig ruimte krijgen liggen onderpresteren, onzekerheid en motivatieproblemen op de loer, aldus SIRE.

In de praktijk zie ik meerdere jongens die met het probleem kampen creatief en energiek te zijn in vrije situaties, maar niet voldoende uit de verf komen op school waar ze in het gareel moeten lopen.

Bram (8 jaar) geeft aan na een dag school soms helemaal los te gaan op zijn zusje. Een ongelukkig duwtje van haar kan hem dan net te veel worden. Na school is hij praktisch vergroeid met zijn bal. In het weekend blinkt hij uit als spits in zijn voetbalteam. Als hij maar niet stil hoeft te zitten is hij een ander kind.

Ook Loek (10 jaar) heeft het moeilijk op school. ‘Moeten luisteren en taken maken is saai’. Hij is op z’n best als hij in de klas met anderen gaat ‘klooien’ zoals hij dat zelf noemt. Zijn juf stond erop dat hij in therapie ging om te stoppen met zijn grensoverschrijdende, brutale gedrag. Thuis is hij gelukkig als hij filmpjes maakt voor zijn eigen youtubekanaal of ‘echte jongens dingen doet’ zoals uren klussen in de garage.

Beide jongens moeten leren mee te kunnen doen met wat er in het gewone, alledaagse leven van hen verwacht wordt. Zij moeten bewust worden gemaakt van de noodzaak hiervan. Overal gelden normen hoe je je dient te gedragen. Die heb je op het voetbalveld, tijdens de zwemles, in het verkeer en ook op school. Leren ze dit niet, dan maken ze hun leven onnodig lastig en bouwen een achterstand op, zowel cognitief als sociaal. Dit besef alleen maakt nog niet dat het hen lukt om op school stil te zitten. De innerlijke drang om toch te bewegen is vaak groter. Die drang komt uit het onbewuste.

Loek ben ik lichaamsgericht bewust gaan maken van wat er in zijn lichaam gebeurt als hij stil moet zitten. Hij kon zo ervaren dat hij onprettige kriebels kreeg, drukke gedachtes in zijn hoofd en ticjes, zoals het knipperen met zijn ogen. Hij kwam weerstand tegen om deze oefening te doen en wilde ‘weg’. Door dit gevoel van ‘weg willen’ te doorvoelen en beschrijven namen de onrustige gevoelens af. Hij leerde een manier om innerlijk zijn spanning te uiten in de plaats van deze op te bouwen.

Ook Bram werd gaandeweg de therapie geïnteresseerd in zichzelf. Hij wilde weten waarom hij dingen impulsief deed. Eerder wilde hij na een uitbarsting nergens over praten. Nu lukte het hem met de nodige humor van een afstandje naar zijn gedrag te kijken. Zijn vader had hierin een belangrijke rol. Hij hielp Bram na een escalatie rustig te worden en zonder oordeel te bespreken wat hij de volgende keer beter zou kunnen doen. Door in de gesprekken steeds perspectief te krijgen op zijn handelen werd het voor hem interessant en zag hij zijn vader niet langer als belerend.

Deze ervaringen hielpen beide jongens op hun eigen wijze te leren met zichzelf om te gaan. ‘Saai’ was een term die ze gebruikten om dingen bij zich vandaan te houden die ze eerder niet konden duiden of verwoorden. Met de toegenomen zelfkennis konden ze de jongens zijn die ze wilden zijn, want ze begrepen zichzelf beter! Ze leerden als het ware het leuk te vinden aan zichzelf te klussen en het voordeel hiervan is… je hebt het materiaal altijd bij je.

*) Om de privacy van de cliënten te waarborgen is gekozen voor een fictieve namen.

Eigenzinnig

Bodi (5 jaar) luistert thuis slecht en heeft regelmatig last van driftbuien. Ze kan op school vriendelijk en gehoorzaam zijn, terwijl zij thuis brutaal en eigenzinnig is. Bodi accepteert thuis geen nee.

Als ik Bodi’s ouders spreek voor de intake is moeder een beetje lacherig. Ze geeft aan het eigenzinnige van haar dochter wel leuk te vinden. Als ik er op doorvraag verdwijnt de lach van moeders gezicht, want Bodi is zo geneigd haar eigen zin te volgen dat ze hierbij moeder ook wel eens slaat en vieze woorden roept.

Moeder heeft totaal geen gezag, zegt ze zelf. Omdat ze al een paar keer een burn-out heeft gehad, voeden haar ouders haar kinderen bij haar in huis mee op. Nu ze aan de beterende hand is, ergert ze zich aan de manier waarop oma de regie neemt. Oma weet in alles hoe het in moeders huis moet gebeuren en moeder voelt zich daardoor sterk minderwaardig. Zij vindt het ongepast eigenzinnige van haar dochter leuk, omdat die ‘nee’ durft te zeggen, daar waar zij dit niet doet bij haar moeder.

Bodi ziet hoe oma haar moeder steeds corrigeert. Oma domineert moeder, en de slimme kleuter ziet handig haar kans schoon om gebruik te maken van de onzekerheid van haar moeder.

Ik ga Bodi observeren op school en in spel in mijn praktijk. De nadruk komt echter te liggen op oudercoaching. Moeder help ik sterker te worden zodat ze weer kapitein op haar schip wordt en haar eigen koers gaat varen. Zo moet ze van mij oefenen met het stellen van regels in de plaats van vragen. Dus niet: ‘kom je eten?’, maar ‘we gaan eten, zitten allemaal’.

Tijdens de observatie op school zie ik, in de plaats van de door ouders beschreven sterke persoonlijkheid, een timide en onzeker meisje dat om goedkeuring vraagt bij de juf en bij klasgenoten aansluiting probeert te vinden.

De juf geeft aan dat daar waar een ander kind na één keer ‘nee’ stopt, Bodi nog gewoon doorgaat. Als Bodi iets blijft vragen, terwijl het ‘nee’ is, draait de juf demonstratief weg, om Bodi te leren hoe het moet. Zo had Bodi volgens de juf in begin moeite om materialen te delen of af te staan aan andere kinderen. Als de juf duidelijk aangaf: ‘wij spelen samen’, zag de juf haar twijfelen. Tegenwoordig gaat ze er niet tegen in. De juf denkt dat Bodi weet dat ze bij haar moeder een discussie aan kan gaan.

Na enkele weken geeft moeder aan dat oma geschrokken is van de manier waarop moeder ineens voor haarzelf opkomt. Moeder heeft ook aangegeven minder hulp nodig te hebben. Al die tijd was ze bang dat als ze met de hulp van oma zou stoppen, het te druk voor haar zou zijn met de kinderen. Nu ze echter steviger in haar schoenen staat en duidelijk is naar haar kinderen, gebeurt er juist het tegenover gestelde. De kinderen weten beter wat wel en niet mag en stoppen eerder met het geven van weerstand. De sfeer in huis is rustiger en het eigenzinnige van Bodi mag naar voren komen als ze beter, zonder weerstand, mee kan komen met het dagelijkse, het gewone.

Zodra Bodi namelijk de spelregels van omgang thuis en op school goed kent en weet toe te passen, kan ze binnen de hoeken van het veld het bijzondere van haar verder ontwikkelen.

*) Om de privacy van de cliënt te waarborgen is gekozen voor een fictieve naam.

Voor je iets kent, ken je het niet

‘Voor je iets kent, ken je het niet’. Dat schreef ik al in mijn vorige blog ‘Zelluf doen’. Iedereen zal beamen dat het logisch is, maar om een kind de leercurve zelf door te laten maken,  zijn moed en koersvastheid nodig van de ouder. Kinderen zijn er namelijk handig in om het jou als ouder op te laten knappen.

Mick (11 jaar) zit in groep 8 en geeft aan elke dag een stukje zenuwachtiger te zijn vanwege de CITO die dichterbij komt en de dag dat hij naar de middelbare school moet. Hij houdt niet van nieuwe dingen en in de klas heeft hij moeite met begrijpend lezen. Vanuit de angst die hij voelt vult hij zomaar wat in, woorden die volgens hem vanzelfsprekend zouden kunnen zijn in de context van het verhaal, maar die er niet staan. Daarmee is hij er op dat moment vanaf, maar zijn lage cijfers brengen hem terug bij de angst. Volgens zijn vader is dit niet altijd zo geweest. Hij lijkt te blokkeren op het moment dat er iets nieuws op hem afkomt.

Mick geeft mij aan vaak last te hebben van buikpijn en hoofdpijn. Hij wil het hier liever niet over hebben. Door mij en zijn ouders hierbij vandaan te houden probeert hij onbewust de angst uit de weg te gaan. Op het moment namelijk dat er een gesprekje plaatsvindt over zijn problemen, gaat hij zich ongemakkelijk voelen en dat wil hij niet. Door vage antwoorden te geven hoopt hij ervan af te zijn. Hij is hier natuurlijk niet mee geholpen. Zijn ouders zien wel dat Mick meer kan en zij willen samen met school en mij hem helpen tot verbetering te komen. Mick wil wel dat het beter gaat, hij wil alleen niet naar het ongemakkelijke gevoel. Toch is dat precies waar hij doorheen moet, keer op keer om stapjes verder te komen. Anders leert hij niet dat kleine beetje lijden te kunnen doorstaan, maar om het steeds uit de weg te gaan en het een ander op te laten knappen.

Ouders coach ik om het te leren leuk te vinden, hun kind hierin te ondersteunen. In de plaats van bij een zucht, schreeuw of huilbui het voor hun kind op te gaan lossen, hun kind te stimuleren het ‘leren leren’ aan te gaan.

Als een kind merkt dat hij ergens doorheen komt en het ongemakkelijke gevoel heeft getrotseerd, lukt hem dit steeds beter op allerlei vlakken. Niet alleen bij begrijpend lezen, maar bijvoorbeeld ook om de juiste focus te houden tijdens een hockeywedstrijd, waarin zijn team aan de verliezende hand is. In de plaats van het bijltje erbij neer te gooien, de juiste spanning te houden en hiervan te leren genieten – ongeacht wat de uitkomst is. Daarmee ontwikkelt er zich niet alleen toename van kennis, maar ook zelfvertrouwen bij het kind. Oftewel, kennis van zichzelf. In hoe hij reageert in allerlei situaties zowel naar buiten toe als innerlijk. Als het kind zichzelf kent in hoe het innerlijk reageert, is het niet meer zo onder de indruk van de primaire spanning in zijn lijf. Hij weet dan dat dit normaal is en weet ermee om te gaan.
*) vanwege de waarborg van privacy van cliënten is gekozen voor een fictieve naam.

Zelluf doen

Een kind is in eerste instantie nog niet zelfredzaam en moet met alles geholpen worden. De ontwikkeling van zelfredzaamheid is een proces, waarbij het kind steeds meer dingen zelfstandig kan doen. Door de ervaring die kinderen in dit proces opdoen zou je kunnen spreken van een denkbeeldige ‘rugzak’ waarin ze steeds meer bagage hebben die hen kan helpen tot oplossingen te komen in nieuwe of lastige situaties.

Soms komen er kinderen in mijn praktijk die om allerlei redenen hun zelfredzaamheid niet voldoende ontwikkeld hebben. Zo ook Charli (9). Haar leerkracht neemt contact met me op. De leerkracht en Charli’s ouders waren tot de conclusie gekomen dat er hulp nodig is. Hij merkt op dat Charli in de klas erg onzeker is, vaak haar vinger opsteekt en regelmatig bij andere kinderen kijkt en vergelijkt wat zij doen. Als hij Charli een wedervraag stelt blijkt dat ze het antwoord zelf wel weet. Gewoon door de tijd te nemen en even zelf na te denken.

Enkele weken later zie ik Charli in mijn praktijk. Ze is een meisje dat veel piekert en regelmatig angstige gedachten heeft. Door de angst stopt ze met denken over hoe ze iets zelf op zou kunnen lossen. Ze heeft zich aangeleerd het meteen aan een ander te vragen in de plaats van zelf wat langer na te denken, omdat dat haar een ongemakkelijk gevoel geeft. Ze wil wel dingen zelf doen maar kan simpelweg niet tot ideeën komen.

Jonge kinderen zijn net na hun geboorte compleet afhankelijk van hun verzorger. Gaandeweg hun ontwikkeling worden ze steeds zelfredzamer en kunnen ze van kruipen, lopen en van gevoerd worden zelf eten. Ook leren ze zich steeds beter uiten. Van huilen en brabbelen gaat het naar woordjes en hele zinnen. Als dingen lukken krijgen kinderen automatisch ook steeds meer vertrouwen dat het lukt. Dit voedt de innerlijke drang om steeds meer zelf te kunnen. Denk maar aan de peuter die drammerig kan zeggen: ”Ikke zelluf doen”. Als ouders erg bezorgd of beschermend zijn kan het gebeuren dat ze langer dan nodig en gezond is dingen voor hun kind blijven doen. Hierdoor ontwikkelt het kind niet alleen onvoldoende zelfredzaamheid, hij mist ook de groei in zelfvertrouwen.

Voor je iets kent, ken je het niet. Voor menigeen is dat een eng gebied. Als je als ouder voor je kind het steeds oplost, ontneem je je kind die groei. Er is een leercurve waar een ieder door heen moet, geen uitzonderingen. Dit inzicht hebben kind en ouder nodig. Kinderen zijn geboren opportunisten. Zij zullen uit zichzelf niet gauw dingen doen als de ouder het al voor ze doet. Je moet ze dan opnieuw hierin helpen, maar dat kan pas als het kind bereid is zichzelf te helpen. Je kunt alleen diegene helpen die zichzelf wil helpen.

Charli is welwillend. Ik maak haar in de therapie bewust van haar denkbeeldige ‘rugzak’. Een die gevuld is met ervaringen van haar leven tot nu toe. Als er zich een gebeurtenis voor doet waar Charli van schrikt is haar eerste reactie te verstijven en naar binnen te keren. Ik leer haar dit kort te doorvoelen en vervolgens zich te herpakken. Door het zoeken naar oplossingen leuk te gaan vinden inclusief dat beetje angst wat ze tegen komt, weet ze zichzelf steeds beter te redden.

*) vanwege de waarborg van privacy van cliënten is gekozen voor een fictieve naam.

Denkmerries

Mijn zoon van 9 had last van ‘denkmerrries’, zo liet hij me middenin de nacht weten. Hij vertelde dat dit nachtmerries waren met vervelende gedachten. Hierdoor was hij onrustig en sliep slechts korte stukjes. Op internet zocht ik of de term al bestond. En ja, er bleek nog een kind te zijn dat deze term gebruikt had, alleen dan voor enge dagdromen. Dus nare gedachten die overdag verhinderen dat je je aandacht bij andere dingen kunt houden.

Nare gedachten kunnen een kind behoorlijk bezig houden. Als het kind hetgeen het denkt serieus neemt en dit niet onderzoekt, terwijl het eng van aard is, heeft het kind een probleem. Angst werkt verstijvend, iemand die bang is onderzoekt niet goed en daardoor blijft het probleem in stand.

Enkele voorbeelden uit mijn praktijk van kinderen die last hebben van nare gedachten.

Jim (9) geeft aan last te hebben van gedachten die hij opgepikt heeft door het kijken naar het Jeugdjournaal. Hij ziet hierin dat kinderen hun ouders kwijt kunnen raken, vluchteling kunnen worden, te maken kunnen krijgen met inbraak, overstroming of brand. Als hij s’ avonds in bed ligt nemen de nare gedachten de overhand en kan hij deze niet meer loslaten. Hij ligt regelmatig te huilen en slaapt pas in als een van zijn ouders bij hem komt liggen.

Marty (10) heeft een oudere broer. Hij laat haar regelmatig ongewenst horrorgames en filmpjes zien. Hij weet dat zij dit niet leuk vindt en daar doet hij het om. Marty denkt dat de enge beelden tot leven kunnen komen in haar eigen omgeving. Ze durft niet meer alleen naar boven.

Chantal (15) is erg gevoelig. Zij pikt van alles op uit haar omgeving. Ook als kinderen nare dingen vertellen kan ze dit niet loslaten. Ze blijft denken dat het haar ook kan overkomen of is extreem verdrietig om hun ellende.

Als ik met deze kinderen werk maak ik eerst zichtbaar hoe veel last ze van deze gedachten hebben. Dit doe ik door hen er een cijfer aan te laten geven. Vervolgens vraag ik bij welk cijfer die mate van angst hoort die acceptabel is voor de gedachte die ze hebben. De gedachte moet behapbaar zijn, anders verwerken ze het niet goed en blijft het in hun gedachten rondspoken. Ik vraag ook of het kind denkt dat zijn vervelende gedachten echt gaan gebeuren. Meestal weet het kind wel dat dat niet zo is, of de kans heel klein is. Dit visueel maken helpt. Ik laat kinderen concrete voorbeelden geven van hun nare gedachten. Deze gaan we vervolgens onder de loep nemen.

De reden dat kinderen uit zichzelf nare gedachten die zich aan hen opdringen niet onderzoeken op hun juistheid, is omdat ze die gedachten te veel macht toekennen. Een autoriteit zoals een ouder of leraar die macht uitstraalt stel je als kind ook niet ter discussie. Onderzoek is het ter discussie stellen. Je kunt er stiekem wel aan denken dat je het niks vindt, maar je durft er als kind niets mee te doen. Liever denk je er helemaal niet aan, maar dat lukt niet. Door de gedachten met het kind te onderzoeken neemt de macht samen met de angst af. Deze verminderen nog verder door ook nog bewust te krijgen wat voor onprettige lichamelijke sensaties gedachten teweegbrengen en hier vriendelijke aandacht aan te geven. Het kind wordt zo weer de baas over zichzelf en zijn gedachten!

*) Om de privacy van de cliënt te waarborgen is gekozen voor fictieve namen.

Bomvol

Veel kinderen hebben tegenwoordig een druk leven. Ze hebben naast hun school allerlei activiteiten waar ze aan deel willen nemen. Een combinatie van goed willen presteren samen met aardig gevonden willen worden en niets willen missen kan ervoor zorgen dat een kind zich beetje bij beetje opgebrand voelt. Met vermoeidheid en prikkelbaar gedrag tot gevolg.

Als je Ava (15 jaar) ziet valt direct haar bleke gezicht en ranke figuur op. Als ze begint te praten straalt ze bij alles waar ze enthousiast over is. Ava heeft een bomvolle agenda en ze vindt het heerlijk. Ze is actief en wil niks missen. Na haar dag op school maakt ze snel huiswerk, spreekt af of is te vinden op de atletiekbaan. Alleen soms, soms is het ineens op, dan zit ze er helemaal door en is ze zoals ze dat zelf noemt ‘halfziek’ van de drukte. Dan moet ze thuis blijven van school, op bed liggen en opladen. Helaas komt dit vaker voor dan het vermeende ‘soms’.

Ava doet er lacherig over. Ze wil niks opgeven. Al heeft ze ergens wel door dat het veel te gek is wat ze in een week propt.

Reden van haar aanmelding bij mij is dat ze thuis regelmatig verschrikkelijk chagrijnig is. Ava weet dat ze een kort lontje heeft als ze er na een volle dag plotseling achter komt dat ze iets van huiswerk over het hoofd heeft gezien. Dan voelt ze de uitputting en moet iedereen in hun gezin het ontgelden.

Bij haar vriendinnen, op school en op de atletiekbaan is ze vrolijk en attent. Thuis komt de moeheid er uit en stort ze volgens haar moeder regelmatig in. Ze zegt me: ”ik ben zo irritant, ik irriteer mezelf”. Ze ervaart dan een constante behoefte om thuis anderen te irriteren en aandacht te krijgen.  Ze weet niet hoe het anders zou moeten. Zij is een en al drukte.

Ik laat haar twee moodboards maken. Een van haar drukke, overvolle leven en een voor hoe rust in haar ogen er uit ziet. Het eindresultaat is dat ze twee vergelijkbare moodboards heeft. Beiden zijn vol met afbeeldingen waarmee ze van alles uit wil drukken. Haar valt dit pas op nadat ik het benoem. Ava heeft zich zo geïdentificeerd met drukte dat zelfs als zij rust wil beschrijven het drukte wordt. Het is haar structuur geworden, ze kan niet anders meer.

In een oefening laat ik haar zich afsluiten voor prikkels van buitenaf door haar ogen te sluiten. Ze ervaart nu de drukte in haar en dat is onprettig. Ze wil dit in eerst instantie ontvluchten en gaat druk wiebelen met haar benen. Als ze namelijk meer tot rust komt gaat ze duidelijker de enorme vermoeidheid voelen en dat is confronterend. De spanning en irritatie die ze innerlijk ervaart reageerde ze tot nu toe af op anderen. Ik leer haar een manier om die spanning innerlijk te uiten en dit nog prettig te vinden ook. Ava is zichtbaar opgelucht.

Een paar weken later geeft ze aan dat ze nog steeds van alles wil, maar iets in haar lichaam lijkt haar nu met regelmaat tegen te houden. Ze kan dan letterlijk niet in beweging komen en doet hierdoor minder dan voorheen. Ze heeft nog steeds een gezellig druk leven maar heeft ruimte voor plotselinge aanpassingen.

*) Vanwege de waarborg van privacy van de cliënten is gekozen voor een fictieve namen.