Voor je iets kent, ken je het niet

‘Voor je iets kent, ken je het niet’. Dat schreef ik al in mijn vorige blog ‘Zelluf doen’. Iedereen zal beamen dat het logisch is, maar om een kind de leercurve zelf door te laten maken,  zijn moed en koersvastheid nodig van de ouder. Kinderen zijn er namelijk handig in om het jou als ouder op te laten knappen.

Mick (11 jaar) zit in groep 8 en geeft aan elke dag een stukje zenuwachtiger te zijn vanwege de CITO die dichterbij komt en de dag dat hij naar de middelbare school moet. Hij houdt niet van nieuwe dingen en in de klas heeft hij moeite met begrijpend lezen. Vanuit de angst die hij voelt vult hij zomaar wat in, woorden die volgens hem vanzelfsprekend zouden kunnen zijn in de context van het verhaal, maar die er niet staan. Daarmee is hij er op dat moment vanaf, maar zijn lage cijfers brengen hem terug bij de angst. Volgens zijn vader is dit niet altijd zo geweest. Hij lijkt te blokkeren op het moment dat er iets nieuws op hem afkomt.

Mick geeft mij aan vaak last te hebben van buikpijn en hoofdpijn. Hij wil het hier liever niet over hebben. Door mij en zijn ouders hierbij vandaan te houden probeert hij onbewust de angst uit de weg te gaan. Op het moment namelijk dat er een gesprekje plaatsvindt over zijn problemen, gaat hij zich ongemakkelijk voelen en dat wil hij niet. Door vage antwoorden te geven hoopt hij ervan af te zijn. Hij is hier natuurlijk niet mee geholpen. Zijn ouders zien wel dat Mick meer kan en zij willen samen met school en mij hem helpen tot verbetering te komen. Mick wil wel dat het beter gaat, hij wil alleen niet naar het ongemakkelijke gevoel. Toch is dat precies waar hij doorheen moet, keer op keer om stapjes verder te komen. Anders leert hij niet dat kleine beetje lijden te kunnen doorstaan, maar om het steeds uit de weg te gaan en het een ander op te laten knappen.

Ouders coach ik om het te leren leuk te vinden, hun kind hierin te ondersteunen. In de plaats van bij een zucht, schreeuw of huilbui het voor hun kind op te gaan lossen, hun kind te stimuleren het ‘leren leren’ aan te gaan.

Als een kind merkt dat hij ergens doorheen komt en het ongemakkelijke gevoel heeft getrotseerd, lukt hem dit steeds beter op allerlei vlakken. Niet alleen bij begrijpend lezen, maar bijvoorbeeld ook om de juiste focus te houden tijdens een hockeywedstrijd, waarin zijn team aan de verliezende hand is. In de plaats van het bijltje erbij neer te gooien, de juiste spanning te houden en hiervan te leren genieten – ongeacht wat de uitkomst is. Daarmee ontwikkelt er zich niet alleen toename van kennis, maar ook zelfvertrouwen bij het kind. Oftewel, kennis van zichzelf. In hoe hij reageert in allerlei situaties zowel naar buiten toe als innerlijk. Als het kind zichzelf kent in hoe het innerlijk reageert, is het niet meer zo onder de indruk van de primaire spanning in zijn lijf. Hij weet dan dat dit normaal is en weet ermee om te gaan.
*) vanwege de waarborg van privacy van cliënten is gekozen voor een fictieve naam.

Zelluf doen

Een kind is in eerste instantie nog niet zelfredzaam en moet met alles geholpen worden. De ontwikkeling van zelfredzaamheid is een proces, waarbij het kind steeds meer dingen zelfstandig kan doen. Door de ervaring die kinderen in dit proces opdoen zou je kunnen spreken van een denkbeeldige ‘rugzak’ waarin ze steeds meer bagage hebben die hen kan helpen tot oplossingen te komen in nieuwe of lastige situaties.

Soms komen er kinderen in mijn praktijk die om allerlei redenen hun zelfredzaamheid niet voldoende ontwikkeld hebben. Zo ook Charli (9). Haar leerkracht neemt contact met me op. De leerkracht en Charli’s ouders waren tot de conclusie gekomen dat er hulp nodig is. Hij merkt op dat Charli in de klas erg onzeker is, vaak haar vinger opsteekt en regelmatig bij andere kinderen kijkt en vergelijkt wat zij doen. Als hij Charli een wedervraag stelt blijkt dat ze het antwoord zelf wel weet. Gewoon door de tijd te nemen en even zelf na te denken.

Enkele weken later zie ik Charli in mijn praktijk. Ze is een meisje dat veel piekert en regelmatig angstige gedachten heeft. Door de angst stopt ze met denken over hoe ze iets zelf op zou kunnen lossen. Ze heeft zich aangeleerd het meteen aan een ander te vragen in de plaats van zelf wat langer na te denken, omdat dat haar een ongemakkelijk gevoel geeft. Ze wil wel dingen zelf doen maar kan simpelweg niet tot ideeën komen.

Jonge kinderen zijn net na hun geboorte compleet afhankelijk van hun verzorger. Gaandeweg hun ontwikkeling worden ze steeds zelfredzamer en kunnen ze van kruipen, lopen en van gevoerd worden zelf eten. Ook leren ze zich steeds beter uiten. Van huilen en brabbelen gaat het naar woordjes en hele zinnen. Als dingen lukken krijgen kinderen automatisch ook steeds meer vertrouwen dat het lukt. Dit voedt de innerlijke drang om steeds meer zelf te kunnen. Denk maar aan de peuter die drammerig kan zeggen: ”Ikke zelluf doen”. Als ouders erg bezorgd of beschermend zijn kan het gebeuren dat ze langer dan nodig en gezond is dingen voor hun kind blijven doen. Hierdoor ontwikkelt het kind niet alleen onvoldoende zelfredzaamheid, hij mist ook de groei in zelfvertrouwen.

Voor je iets kent, ken je het niet. Voor menigeen is dat een eng gebied. Als je als ouder voor je kind het steeds oplost, ontneem je je kind die groei. Er is een leercurve waar een ieder door heen moet, geen uitzonderingen. Dit inzicht hebben kind en ouder nodig. Kinderen zijn geboren opportunisten. Zij zullen uit zichzelf niet gauw dingen doen als de ouder het al voor ze doet. Je moet ze dan opnieuw hierin helpen, maar dat kan pas als het kind bereid is zichzelf te helpen. Je kunt alleen diegene helpen die zichzelf wil helpen.

Charli is welwillend. Ik maak haar in de therapie bewust van haar denkbeeldige ‘rugzak’. Een die gevuld is met ervaringen van haar leven tot nu toe. Als er zich een gebeurtenis voor doet waar Charli van schrikt is haar eerste reactie te verstijven en naar binnen te keren. Ik leer haar dit kort te doorvoelen en vervolgens zich te herpakken. Door het zoeken naar oplossingen leuk te gaan vinden inclusief dat beetje angst wat ze tegen komt, weet ze zichzelf steeds beter te redden.

*) vanwege de waarborg van privacy van cliënten is gekozen voor een fictieve naam.

Denkmerries

Mijn zoon van 9 had last van ‘denkmerrries’, zo liet hij me middenin de nacht weten. Hij vertelde dat dit nachtmerries waren met vervelende gedachten. Hierdoor was hij onrustig en sliep slechts korte stukjes. Op internet zocht ik of de term al bestond. En ja, er bleek nog een kind te zijn dat deze term gebruikt had, alleen dan voor enge dagdromen. Dus nare gedachten die overdag verhinderen dat je je aandacht bij andere dingen kunt houden.

Nare gedachten kunnen een kind behoorlijk bezig houden. Als het kind hetgeen het denkt serieus neemt en dit niet onderzoekt, terwijl het eng van aard is, heeft het kind een probleem. Angst werkt verstijvend, iemand die bang is onderzoekt niet goed en daardoor blijft het probleem in stand.

Enkele voorbeelden uit mijn praktijk van kinderen die last hebben van nare gedachten.

Jim (9) geeft aan last te hebben van gedachten die hij opgepikt heeft door het kijken naar het Jeugdjournaal. Hij ziet hierin dat kinderen hun ouders kwijt kunnen raken, vluchteling kunnen worden, te maken kunnen krijgen met inbraak, overstroming of brand. Als hij s’ avonds in bed ligt nemen de nare gedachten de overhand en kan hij deze niet meer loslaten. Hij ligt regelmatig te huilen en slaapt pas in als een van zijn ouders bij hem komt liggen.

Marty (10) heeft een oudere broer. Hij laat haar regelmatig ongewenst horrorgames en filmpjes zien. Hij weet dat zij dit niet leuk vindt en daar doet hij het om. Marty denkt dat de enge beelden tot leven kunnen komen in haar eigen omgeving. Ze durft niet meer alleen naar boven.

Chantal (15) is erg gevoelig. Zij pikt van alles op uit haar omgeving. Ook als kinderen nare dingen vertellen kan ze dit niet loslaten. Ze blijft denken dat het haar ook kan overkomen of is extreem verdrietig om hun ellende.

Als ik met deze kinderen werk maak ik eerst zichtbaar hoe veel last ze van deze gedachten hebben. Dit doe ik door hen er een cijfer aan te laten geven. Vervolgens vraag ik bij welk cijfer die mate van angst hoort die acceptabel is voor de gedachte die ze hebben. De gedachte moet behapbaar zijn, anders verwerken ze het niet goed en blijft het in hun gedachten rondspoken. Ik vraag ook of het kind denkt dat zijn vervelende gedachten echt gaan gebeuren. Meestal weet het kind wel dat dat niet zo is, of de kans heel klein is. Dit visueel maken helpt. Ik laat kinderen concrete voorbeelden geven van hun nare gedachten. Deze gaan we vervolgens onder de loep nemen.

De reden dat kinderen uit zichzelf nare gedachten die zich aan hen opdringen niet onderzoeken op hun juistheid, is omdat ze die gedachten te veel macht toekennen. Een autoriteit zoals een ouder of leraar die macht uitstraalt stel je als kind ook niet ter discussie. Onderzoek is het ter discussie stellen. Je kunt er stiekem wel aan denken dat je het niks vindt, maar je durft er als kind niets mee te doen. Liever denk je er helemaal niet aan, maar dat lukt niet. Door de gedachten met het kind te onderzoeken neemt de macht samen met de angst af. Deze verminderen nog verder door ook nog bewust te krijgen wat voor onprettige lichamelijke sensaties gedachten teweegbrengen en hier vriendelijke aandacht aan te geven. Het kind wordt zo weer de baas over zichzelf en zijn gedachten!

*) Om de privacy van de cliënt te waarborgen is gekozen voor fictieve namen.

Bomvol

Veel kinderen hebben tegenwoordig een druk leven. Ze hebben naast hun school allerlei activiteiten waar ze aan deel willen nemen. Een combinatie van goed willen presteren samen met aardig gevonden willen worden en niets willen missen kan ervoor zorgen dat een kind zich beetje bij beetje opgebrand voelt. Met vermoeidheid en prikkelbaar gedrag tot gevolg.

Als je Ava (15 jaar) ziet valt direct haar bleke gezicht en ranke figuur op. Als ze begint te praten straalt ze bij alles waar ze enthousiast over is. Ava heeft een bomvolle agenda en ze vindt het heerlijk. Ze is actief en wil niks missen. Na haar dag op school maakt ze snel huiswerk, spreekt af of is te vinden op de atletiekbaan. Alleen soms, soms is het ineens op, dan zit ze er helemaal door en is ze zoals ze dat zelf noemt ‘halfziek’ van de drukte. Dan moet ze thuis blijven van school, op bed liggen en opladen. Helaas komt dit vaker voor dan het vermeende ‘soms’.

Ava doet er lacherig over. Ze wil niks opgeven. Al heeft ze ergens wel door dat het veel te gek is wat ze in een week propt.

Reden van haar aanmelding bij mij is dat ze thuis regelmatig verschrikkelijk chagrijnig is. Ava weet dat ze een kort lontje heeft als ze er na een volle dag plotseling achter komt dat ze iets van huiswerk over het hoofd heeft gezien. Dan voelt ze de uitputting en moet iedereen in hun gezin het ontgelden.

Bij haar vriendinnen, op school en op de atletiekbaan is ze vrolijk en attent. Thuis komt de moeheid er uit en stort ze volgens haar moeder regelmatig in. Ze zegt me: ”ik ben zo irritant, ik irriteer mezelf”. Ze ervaart dan een constante behoefte om thuis anderen te irriteren en aandacht te krijgen.  Ze weet niet hoe het anders zou moeten. Zij is een en al drukte.

Ik laat haar twee moodboards maken. Een van haar drukke, overvolle leven en een voor hoe rust in haar ogen er uit ziet. Het eindresultaat is dat ze twee vergelijkbare moodboards heeft. Beiden zijn vol met afbeeldingen waarmee ze van alles uit wil drukken. Haar valt dit pas op nadat ik het benoem. Ava heeft zich zo geïdentificeerd met drukte dat zelfs als zij rust wil beschrijven het drukte wordt. Het is haar structuur geworden, ze kan niet anders meer.

In een oefening laat ik haar zich afsluiten voor prikkels van buitenaf door haar ogen te sluiten. Ze ervaart nu de drukte in haar en dat is onprettig. Ze wil dit in eerst instantie ontvluchten en gaat druk wiebelen met haar benen. Als ze namelijk meer tot rust komt gaat ze duidelijker de enorme vermoeidheid voelen en dat is confronterend. De spanning en irritatie die ze innerlijk ervaart reageerde ze tot nu toe af op anderen. Ik leer haar een manier om die spanning innerlijk te uiten en dit nog prettig te vinden ook. Ava is zichtbaar opgelucht.

Een paar weken later geeft ze aan dat ze nog steeds van alles wil, maar iets in haar lichaam lijkt haar nu met regelmaat tegen te houden. Ze kan dan letterlijk niet in beweging komen en doet hierdoor minder dan voorheen. Ze heeft nog steeds een gezellig druk leven maar heeft ruimte voor plotselinge aanpassingen.

*) Vanwege de waarborg van privacy van de cliënten is gekozen voor een fictieve namen.

 

 

 

 

 

 

 

Ik ben boos!

Kinderen leren omgaan met hun boosheid is een moeilijke taak. Kinderen zijn beperkt in de manieren waarop ze zich kunnen uiten. Gedurende het opgroeien neemt de beschikking over woorden om boosheid uit te drukken toe. Soms blijft een kind helaas ‘hangen’ in boos of zelfs woedend gedrag, en lijkt het hem meer op te leveren dan het correcte gedrag.

Woedegedrag is onbewust bedoeld om gevoelens van schaamte, gekwetstheid, angst, mislukking, verlies, afwijzing, zwakte en dergelijke te verdringen. Daarom zijn erkennen en accepteren van deze onderliggende pijnlijke gevoelens vereist. Als een kind beseft dat deze gevoelens bij iedereen voorkomen, is een belangrijke stap gezet om niet telkens woedend te reageren.

Oefenen in boosheid hoort bij een peuter
 en de ongecontroleerdheid ervan verdwijnt
 in een volgende ontwikkelingsfase. De boosheid kan ook chronische vormen aannemen. Als een kind het oppot en er geen controle over heeft of zijn negatieve gedrag niet goed begrensd wordt door zijn opvoeders, heeft de woede vrij baan. Zo ook met Pascal (5 jaar). Zijn vader geeft aan dat Pascals boosheid vaak op niets gebaseerd lijkt en hem overvalt.

In de therapie beeldt Pascal zijn boosheid uit en tekent het. Hij doet voor hoe hij eruit ziet als hij boos wordt. Hij zegt boos te kijken, ‘grrr-geluiden’ te maken, zijn vuisten te ballen, te stampen met zijn voeten en pijn te voelen in zijn keel. Hij kleurt een poppetje in met een zwart voorhoofd. De boosheidsthermometer die we gebruiken loopt hoog op, maar staat nog net niet op ontploffen.

Ik vraag hem wat er gebeurt als hij wel ontploft. Hij noemt als voorbeeld dat een vriendje hem stoorde toen hij helemaal opging in zijn spelcomputertje. Pascal reageert boos: “Laat me met rust”. Vervolgens duwt hij het vriendje hardhandig weg, zijn mond wordt grimmig, zijn ogen worden priemend en zijn samengebalde vuisten gaan omhoog voor zijn borst. De thermometer staat nu op ontploffen. Hij kan dan schoppen, slaan en bijten en naderhand zegt hij niet meer te weten dat hij dat gedaan heeft. “Dan ben ik moe.” Hij laat zien dat hij dan gaat gapen en op zijn knieën onderuit gaat zitten. Hij geeft aan dat het niet fijn is. Ik vraag hem of hij kan voelen wat er in zijn lichaam gebeurt voordat hij zo extreem boos is. Hij zegt dat hij dan een naar gevoel heeft in zijn buik en tekent dit donkerrood in als een soort bal.

Ik vraag hem wat hij zou kunnen doen als hij dit bij zichzelf voelt aankomen. Hij zegt: “Naar de juf gaan en op schoot gaan zitten.” De boze, rode bal kan dan via zijn mond de ruimte in, weg van hem. Als de juf er niet is zou hij alleen op een stoel kunnen gaan zitten. De rode kleur kan dan via zijn voeten afvloeien. Pascal heeft dus goed door wat hij kan doen en wat er in hem gebeurt tijdens zo’n boze bui. Door het hem zo letterlijk te laten verwoorden, kan hij een volgende keer een woedeaanval bij zichzelf herkennen en de baas zijn. Ook is het nodig dat hij een gevoel ontwikkelt voor anderen en niet alleen in zijn eigen wereld zit.

De gekwetstheid die hij verdrong met deze woedeaanval projecteerde Pascal op zijn vriendje. Dit heet ‘overdracht’. Iets naars wat hem in het verleden is overkomen, plakt hij op een soortgelijke nieuwe situatie met een ‘onschuldig’ persoon. Helaas is dit niet zonder gevolgen voor de vriendschap. Onredelijke woede kan veel onnodige schade veroorzaken. Daarom is het belangrijk om de oorzaak van de irrationele woede aan te pakken.

Vanwege de waarborg van privacy van cliënten is gekozen voor een fictieve naam.

Stemmetjes

De stemmetjes die kinderen in hun hoofd horen, worden in de medische wereld ‘auditieve hallucinaties’ genoemd. Auditief betekent het gehoor betreffende. Een hallucinatie is een zintuigelijke beleving die niet overeenkomt met wat er in werkelijkheid gebeurt, oftewel een waarneming waarbij de prikkel uit de buitenwereld ontbreekt. Vaak schrikken ouders hiervan, vooral omdat niet goed bekend is waarom kinderen stemmen horen.

De ouders van de tweeling Rick en Mats (6 jaar) melden Mats aan omdat hij stemmen hoort. Mats vertelt me dat hij last heeft van computerstemmetjes. Hij vraagt me of ik denk dat de stemmetjes weggaan. Ik zeg ja. Eerst vraag ik op welke momenten de stemmetjes er wel en niet zijn. Hij geeft aan dat ze er niet zijn tijdens het vrij spelen, maar wel in de klas. Ik vraag hem wat er vervelend aan is. Hij geeft aan dat ze willen dat hij stoute woorden zegt of gemene dingen doet, en maken dat hij niet kan opletten. Dat is lastig voor hem.

Moeder beschrijft Mats als een extraverte, zorgzame jongen die het goed wil doen. Volgens zijn moeder is hij van de tweeling de vriendelijkste. Rick draagt hem vaak dingen op die hij moet doen en als hij ze uitvoert, draait hij op voor de straf. Rick is veel introverter dan Mats. De achtergrondinformatie over de karakters van de tweeling neem ik mee in de begeleiding, hierdoor krijg ik zicht op de bron van zijn klacht.

Als een kind dingen moet doen voor iemand van wie hij houdt, terwijl hij er zelf niet achter staat, kan dat conflicterend zijn met zijn geweten. Vooral bij jonge kinderen zoals Mats is de scheidingslijn tussen fantasie en werkelijkheid nog flinterdun. Zo kan het kind ook een of meerdere fantasievriendjes hebben met een andere stem dan hijzelf. Mats is zo verbonden met zijn broer dat hij hem niks wil weigeren. Vanwege zijn vriendelijke aard ervaart hij hetgeen hem opdragen wordt als stout. Een andere stem biedt dan uitkomst.

Door de ik-sterkte van Mats te vergroten, loste het innerlijk conflict in hem op. Doordat hij zelfverzekerder werd, nam zijn persoonlijke kracht toe en werd hij op een heel natuurlijke manier weerbaarder naar zijn broer. De stemmen verdwenen.

Ook Neeltje (10) heeft last van de stem in haar, deze komt op als ze denkt dat ze iets verkeerd heeft gedaan. Ze is perfectionistisch van aard en heeft een laag zelfbeeld. Ze vertelt me dat ze buikpijn krijgt als ze niet doet wat de stem zegt. Bij Neeltje heeft de stem een andere werking dan bij Mats. Als ze gedachtes heeft waarvan ze vindt dat die niet mogen, heeft ze de neiging die gedachtes toe te schrijven aan iemand anders dan zichzelf. Het stemmetje werkt dan als een soort ‘belerend geweten’.

Neeltje let de lat hoog voor zichzelf, maar heeft ondertussen ook net als andere kinderen uitspattingen en maakt fouten. Dit conflicteert in haar en door de aanwezigheid van de stem wordt het een ‘levende’ werkelijkheid. In de therapie maak ik haar duidelijk en inzichtelijk dat niemand perfect hoeft te zijn, dus zij ook niet. Ze doet haar best en leert dingen juist door fouten te maken. Net als iedereen is ze zelf verantwoordelijk voor wat ze doet en mag ze met mildheid naar zichzelf kijken in de plaats van afbrekend. Door niet naar de stem te luisteren, is zij weer de baas over zichzelf.

*) Vanwege de waarborg van privacy van de cliënten is gekozen voor een fictieve namen.

 

 

Alles op tel

Yuna (11 jaar) moet alles ‘op tel’ doen. Niet van haar moeder of van haar juf maar van haar dwingende gedachten. Ze legt me uit dat het wel een ‘eerlijk nummer’ moet zijn zoals 2, 4 of 8. En het wordt steeds een hoger aantal keer, omdat ze de handelingen steeds vaker moet doen. Zo moet ze inmiddels 24 keer haar pennendop aandrukken en 28 keer het dopje van de tandpastatube aandraaien.

 Ze weet dat de kinderen in haar klas naar haar kijken als ze haar pennendop 24 keer aandrukt of 4 keer op het knopje van haar mobieltje drukt. Ze is bang dat ze haar raar vinden. Maar de dwang om het te doen is toch groter.

Yuna geeft aan dat ze na het uitvoeren van de handeling kortdurend een ontspannen gevoel heeft. Helaas zijn er steeds meer keren nodig om dit gevoel te krijgen.

Thuis heeft ze ook allerlei dwanghandelingen en –gedachten. Haar kussen kan ze niet gewoon rechtleggen na een nacht slapen. Ze moet het nog acht keer doen. Yuna: “als ik het niet doe word ik misselijk of krijg ik buikpijn”. Zo checkt ze ook meerdere malen of het licht uit is.

Ze geeft aan dat haar moeder dit ook heeft. Als ze de deur uitgaan loopt haar moeder gestrest alle kamers af om zeker te zijn dat alles afgesloten is. Als ze het idee heeft een kamer vergeten te zijn, dan loopt ze ze allemaal opnieuw af.

Yuna vertelt dat ze zich kan herinneren dat ze dit gedrag niet had toen ze jonger was. Omdat ze op school steeds meer moeite kreeg om mee te komen, bouwden de spanningen op en gaven deze handelingen haar een gevoel van controle. Ze wil graag van mij leren hoe ze hiermee kan stoppen. Ze geeft aan er zelf weinig nadelen van te ondervinden. Ze weet dat het niet ‘normaal’ is en geeft toe dat het moe maakt.

Ik laat haar eerst meedenken wat normaal is. We maken een lijst van al haar dwanghandelingen en schrijven er naast wat de normale handeling zou zijn. Vervolgens laat ik haar ervaren wat het niet uitvoeren van de dwanghandelingen lijflijk met haar doen. Door haar voor te laten stellen dat ze de pen maar eenmaal aandrukt ervaart ze een irritante jeuk en een gevoel van spanning in haar buik. Ze bedenkt zelf dat het handig is haar handen onder haar bovenbenen te klemmen zodat ze de neiging om overal aan te friemelen kan onderdrukken.

Zoals Yuna zelf wist te vertellen kwamen de dwanghandelingen in haar leven toen ze zich onbevredigd voelde omdat ze de opgaves op school niet naar behoren gemaakt kreeg. De spanning raakte ze daarmee niet kwijt, middels de dwanghandelingen lukte dit wel. Daar had ze vat op!

Met een uurtje therapie per week lukt de behandeling van dwang niet. Yuna gaat thuis oefeningen maken die haar helpen in bewustwording en verandering van gedrag. Het slagen van de therapie is een combinatie van lijflijk leren omgaan met spanning en deze verdragen zonder toe te geven aan de dwanghandelingen die slechts tijdelijk verlichting geven en steeds vragen om uitbreiding van de handelingen. Als Yuna dit nu leert heeft zij een ervaring die haar de rest van haar leven een bodem geeft weerstand te bieden aan allerlei dwangmatigheden die zich vanuit het onbewuste aandienen om spanning af te voeren.

 * ) vanwege de waarborg van privacy van cliënten is gekozen voor een fictieve naam.

 

Zelfsabotage

Kinderen in therapie geven soms aan ergens vanaf te willen, maar gaandeweg de therapie blijkt dat er iets is dat het negatieve gedrag in stand houdt. Ze zeggen er graag vanaf te willen maar iets in hen, veelal onbewust, weerhoudt hen ervan.

Lilian (tien jaar) wil leren voor zichzelf op te komen. Zowel op school tijdens het overblijven als thuis in de omgang met haar zus, ervaart ze regelmatig dat anderen over haar heen lopen. Tijdens het overblijven is er een groepje populaire meiden en Lilian wil graag aansluiting bij hen. Omdat ze van nature stil is en niet het juiste weet te zeggen, mist ze de boot. Haar zus is goedgebekt en is haar thuis steeds te slim af. Ze weet Lilian voor haar karretje te spannen om dingen voor elkaar te krijgen bij hun ouders, en bepaalt steeds als eerste wat er op tv gekeken wordt of wie er de Nintendo mag.

In de therapie beschrijft Lilian voorbeeldsituaties van school en thuis. Samen bespreken we wat ze vindt dat er mis ging en hoe ze had kunnen reageren. Naast het in rollenspellen uitproberen van verschillende verbale reacties, krijgt Lilian ook inzicht in hoe haar lichaamshouding, manier van kijken, geluiden die ze maakt en de timing van dingen die ze doet allemaal van invloed zijn op hoe ze zelf overkomt.

In de eerstvolgende sessie komt moeder mee met haar om mij iets te vertellen wat Lilian zelf niet durft. Lilian kan er niet tegen als mensen in haar omgeving ruzie maken. We nemen dit mee in de therapie.

Het meenemen van moeder naar mij maakt iets zichtbaar. Wat hier niet klopt is, dat Lilian mij als hulpvraag gesteld heeft te willen leren voor zichzelf op te komen. Als haar moeder het verhaal moet doen voor haar, oefent ze dit niet. Dit benadrukt dat haar ouders in een tussentijds oudergesprek aangeven weinig verbetering te zien.

Samen met Lilian ga ik de eerstvolgende sessie onderzoeken wat vanuit haar onbewuste hier saboterend werkt. Ik leg haar uit dat er in haar een soort saboteur zit die er nog voordeel in ziet om niet voor zichzelf op te komen. Zoals een bezorgde moeder die haar aandacht geeft. Door Lilian een poppetje te laten kiezen voor de saboteur, is dit geen bedreiging voor haar en is zij actief in de sessie betrokken om te achterhalen hoe dit zit.

Een saboterend deel kan al bij haar gekomen zijn toen ze nog veel jonger was. In een visualisatie met gesloten ogen komt ze erachter dat dit deel bij haar kwam toen ze drie jaar was. Toen kon ze nog minder zelf dan nu (zeven jaar later) en had ze het saboterende deel nodig. Bijvoorbeeld door te gaan huilen als ze niet zelf op een fietsje kon of een kindje iets van haar afpakte. Nu Lilian dit helder heeft is ze gemotiveerder om hiermee af te rekenen. Die middag al, hoor ik van vader dat ze in onenigheid met hem voor zichzelf opkwam!

*) Om de privacy van de cliënt te waarborgen is gekozen voor een fictieve naam.

Lamgeslagen

Kristy (22) zit onderuitgezakt. Ze verzucht: “Tot nu toe werkten we in groepjes samen aan een opdracht; nu ik mijn eigen eindproject moet maken, wordt er echt iets van mij verwacht.” En daar loopt ‘t vast. Ze voelt zich depressief, ongemotiveerd, geblokkeerd en weet dat ze uitstelgedrag vertoont. Langzamerhand durft ze zich niet meer op de universiteit te vertonen omdat de medestudenten allemaal goed bezig zijn met hun project en zij niet.

Een tennistoernooi weet ze prima te organiseren en ze speelt er de sterren van de hemel. Hierover praat ze enthousiast en vrolijk. Zodra het gespreksonderwerp verandert naar haar project wordt ze somber. Ze geeft aan niet te weten hoe ze hiermee verder moet en dat maakt dat ze lamslaat. Haar projectbegeleider heeft haar een bedrijf toegewezen waar ze onderzoek moet doen om voor haar bachelor te slagen. Volgens Kristy is het onderwerp vaag en zolang ze geen stappen zet, blijft dat zo. De weken vliegen voorbij zonder duidelijke vorderingen. Na tien weken is ze, naar eigen zeggen, ingestort. Ze kan moeilijk stoppen met huilen.

Kristy wordt op twee manieren geholpen. Praktisch, door inzichtelijk te maken hoe ze het project in kleinere stappen kan opdelen en domweg uitvoeren, zonder steeds na te denken of het wel zinvol is. In het begin van een project mis je overzicht en het gevoel of het zinnig is wat je doet. Het is moeilijk om je aan het werk over te geven zonder dat je weet waar het precies toe leidt. Om haar vertrouwen en inzicht te sterken, wordt haar het voorbeeld van leren tennissen gegeven. Nu als succesvol tennisster weet ze – al dan niet bewust – dat er moeilijkheden te overwinnen zijn in een leerproces. Toen ze startte met lessen wist ze niet wat ze tegen zou komen, maar wist ze wel de richting. Er zijn legio voorbeelden van. In haar stageproject zijn de doelen vaag omschreven waardoor ze geen duidelijke richting heeft om aan vast te houden. Dat werkt nu blokkerend. We bekijken welke onderliggende patronen, negatieve gedachten of gedragingen haar blokkeren. Ze komt erachter dat haar drang naar perfectie haar tegenwerkt. Als ze niet direct weet waar het op uitdraait, lijkt ze te blokkeren en niets te willen riskeren. Ze heet een verlangen om het project af te maken en tegelijkertijd loopt ze in zichzelf tegen allerlei weerstand aan om het voor elkaar te krijgen.

Ze wil het perfecte plaatje, het succesvolle resultaat, maar wat ze daarvoor moet doen, daar heet ze geen zin in. Ze moet iets creëren wat er in haar beleving nog niet was. Ze weet dus niet hoe het ‘perfecte project’ eruit zou moeten zien. Ze zou liever gisteren al bij het eindresultaat zijn dan morgen zonder alle tussenliggende stappen, met moedeloosheid tot gevolg. Dit dient ze onder ogen te zien zonder zichzelf op de kop te geven. Die zelkastijding blokkeert en verkrampt haar. Ze kan beter geïnteresseerd zijn in haar manier van reageren op dit project en de patronen hierin leren doorgronden. Als ze bereid is hier met enige humor en zachtheid relativerend naar te kijken, kan ze het geblokkeerde oplossen en krijgt ze haar project af.

*Vanwege de waarborg van privacy van cliënten is gekozen voor een fictieve naam.

Sociale intuïtie

Hoe gewoon het ook lijkt, eigenlijk is het een wonder hoe een jong kind zich eigen maakt mee te komen met zijn omgeving. Begrijpen wat sociaal handig is om te doen in een groep -zoals je aanpassen- blijkt te maken te hebben met een aangeboren sociaal instinct. Kinderen kijken eerder en intenser naar mensen dan naar andere dingen in hun omgeving en met minimale steun van buitenaf leren ze de taal van klanken, ogen, gezicht, handen en lichamen begrijpen. Bij kinderen met autisme verloopt het decoderen van taal en sociaal gedrag niet automatisch.

Kinderen met een stoornis in het autistisch spectrum zoals PDD-NOS of Asperger hebben gebrekkige (of missen) sociale intuïtie. Ze hebben geen opvallend uiterlijk zoals wel het geval is bij een gebroken been, waardoor je zou kunnen zien wat er mis is. Ze weten niet vanzelf hoe aan te sluiten bij een groep. Ze voelen niet aan wat een leuke grap is, wanneer te stoppen of wanneer iets kwetsend is. Ook kunnen zij zich onveilig voelen, omdat zij in sociale interactie niet intuïtief de juiste regels weten toe te passen. Zij voelen het niet aan hoe je je gedraagt tijdens bijvoorbeeld een feestje, een gymles, een groepsopdracht of een schoolkamp. Zij kunnen dit wel leren, maar dat kost tijd, omdat elke situatie weer net wat anders is. En omdat het soms lang duurt zijn ze het begrip van hun omgeving vaak al kwijt.

In een vrij speelmoment zoals tijdens de pauze hebben deze kinderen het vaak extra moeilijk. Ze weten niet wat van hen verwacht wordt en zijn niet handig genoeg om op natuurlijke wijze aan te sluiten bij de anderen. Om niet buitengesloten te worden, maar er bij te willen horen willen sommige onbewust van alles doen om dit gevoel te krijgen.

Hein (diagnose PDD-NOS, 11 jaar) speelt graag met kinderen die veel ‘bravoure’ tonen. Hij wil er veel voor doen om door hen leuk gevonden te worden. Het groepje heeft al gauw door dat hij klakkeloos uitvoert wat zij hem opdragen, al zijn dit de gekste dingen. Hein heeft geen gevoel voor de gevolgen van zijn gedrag. Hij ervaart kort een moment van erbij horen om vervolgens weer uitgelachen te worden omdat de leerkracht hem bij de kraag grijpt voor zijn misdraging. Een jongen zoals Hein moet begrensd worden op een duidelijke en eenduidige manier. Zo kan hij veiligheid ervaren in een voor hem onduidelijk wereld waarin sociale omgang een spel is waar hij maar moeilijk grip op krijgt.

Op school waar de tendens grote klassen is, moet een leerkracht een soort multitalent zijn om deze speciale kinderen te ondersteunen en ondertussen zorg te dragen dat het lesprogramma dat jaar rondkomt. Vooral op momenten dat er iets nieuws komt kan dit bij Hein maken dat hij het overzicht compleet kwijt is en hierdoor onrust gaan vertonen. Handig kan voor hem zijn van te voren door te spreken wat ‘hetzelfde’ en wat ‘anders’ is. En dit visueel te maken door het op te schrijven of uit te tekenen. Dit lijkt veel werk, maar de ervaring leert dat de investering hierin na een tijdje oplevert dat het gemakkelijker gaat.

Als het aan duidelijkheid en overzicht ontbreekt kunnen kinderen zoals Hein het heel zwaar hebben en ofwel verstillen of storend clownesk gedrag vertonen. Als een leerkracht beschikt over ‘een overstijgend inzicht’ en gevoel voor de denk- en handelwijze van Hein heeft, kan hij de gevolgen hiervan voor zijn.

*) Vanwege privacy van de cliënt is gekozen voor een fictieve naam.